De historische ontwikkeling van plantenveredeling
Tot het midden van de 19e eeuw hielden de boeren een deel van de jaarlijkse oogst over als zaad voor het volgende seizoen. Zij zochten die zaden eruit, waarvan de uiterlijke kenmerken het meest geschikt leken. Door deze zogenaamde massaselectie zijn in de loop van de eeuw langzamerhand opbrengststijgingen evenals een verbetering van de kwaliteit en de gezondheid van de plant verkregen. Zo ontstonden de zogenaamde landrassen. Ongeveer in het begin van de 19e eeuw baarden wetenschappelijke uitspraken over het ontstaan van de rassen groot opzien.
In 1859 verscheen de eerste editie van "Het ontstaan van de rassen" door Charles Darwin. De Benedictijner monnik Gregor Mendel publiceerde in 1866 de wetenschappelijke grondslag voor zijn erfelijkheidsleer, die het voor de kweker mogelijk maakt nieuwe, betere combinaties te vinden. Beide ontdekkingen hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de ontwikkeling van een op wetenschappelijke grondslag gebaseerde plantenveredeling.
Al in 1859 selecteerde Matthias Rabbethge jr. in het hoofdkantoor van KWS in Kleinwanzleben bij Maagdenburg als eerste Duitser de voor de zaadwinning benodigde bieten met behulp van bepaling van het suikergehalte op soortelijke gewicht.
In de tweede helft van de 19e eeuw ontstonden de eerste particuliere kwekerijen. Vele zijn voortgekomen uit landbouwbedrijven en hebben zich gespecialiseerd in bepaalde gewassen.
Er zijn thans in Duitsland nog ongeveer 50 bedrijven met een eigen kweekprogramma. De overwegend middelgrote bedrijven zijn bij de "Bundesverband der Deutschen Pflanzenzüchter e.V." (BPD) (Duitse Bond voor Plantenkwekers) aangesloten.